Een stukje uit het boek:

Met de paarden aan de leidsels volgden ze het stroompje langs de voet van de rots totdat ze bij de beverdam kwamen.
"Nog geen spoor van Bart!" fluisterde Drew.
Heer Urwin schudde zichtbaar zijn hoofd en gebaarde dat hij toch voorwaarts wilde. Al snel bereikten ze de open plek bij de schuilplaats van Bart.
Heer Urwin, die voorop liep, hield in en wees nu richting de rotspartij.
"De ingang is dichtgestapeld!" stelde hij vast.
Drew liet het leidsel van zijn paard vallen en snelde op de plek van de ingang toe.
Heer Urwin was wat voorzichtiger en keek eerst zoekend om zich heen. Pas nadat hij geen verdachte zaken had waargenomen, liep ook hij naar de ingang.
Samen inspecteerden ze de gestapelde stenen.
"Wat valt jou op?" vroeg heer Urwin.
Drew liet zijn ogen nogmaals langs de stenen glijden en knikte.
"Er liggen botten tussen!" meldde Drew.
"Juist!" knikte heer Urwin. "Dat hij voor een lange tijd weg is, lijkt mij duidelijk. Maar die botten. Wil hij daar wat mee aangeven? Aan ons?"
Drew haalde zijn schouders op.
"Dat is heel goed mogelijk, maar bij de ingang van die grot bij de rivier waren het voornamelijk schedels en daarachter pas stenen…" refereerde Drew.
"Maar een ingang stapel je niet met stenen én botten dicht," stelde heer Urwin nogmaals. "Dus ik wil ook binnen eens rondzien!"