Een stukje uit het boek:

Drew spoelde zijn handen schoon in een drinkbak, veegde zijn haren wat in model en zette het op een holletje richting de binnenburcht.
Even voorbij de markthal, schuin tegenover de waterput, bevond zich de woning van de adviseur van de landheer.
Het was een statig huis met een stenen trap van wel drie treden en een fraaie, iets overstekende bovengevel welke op sierlijk bewerkte balken rustte.
Hij liet de deurklopper twee maal neerkomen en wachtte op een reactie. Boven zijn hoofd hoorde hij een luik dichtklappen en kort daarna snelle voetstappen achter de deur.
De deur opende op een kier en een enigszins hijgende stem vroeg: 'Ben je alleen?'
Drew keek wat verbaasd om zich heen en stamelde: 'Ja, volgens mij wel...'
De deur ging nu wat verder open en een stevige hand trok hem snel naar binnen.
Een tel later viel de deur achter hem in het slot.
Nog voor zijn ogen waren gewend aan het nu schaarse licht in de hal werd hij de trap opgeduwd en klonk een gedempte stem achter hem: 'Boven, niet hier...'
Verbaasd gehoorzaamde Drew de stem en belandde uiteindelijk in een fraai ingericht vertrek.
De blijkbaar haastig gesloten luiken voor de ramen lieten voldoende licht door om buiten een schrijftafel en een kast vol boeken ook een stel sierlijke stoelen te zien die in een wijde boog rond de schouw stonden.
De persoon die hem de kamer had binnengeloodst deed een stap opzij en verontschuldigde zich.
'Excuses voor de entree, maar de kwestie is nogal delicaat, zie je.'